Het Koninklijk Gezin
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

wapen OranjeHet Koninklijke Huiswapen Nassau

Begroting Koning 2023

Op Prinsjesdag is de begroting van de Koning voor 2023 bekend gemaakt. De pagina’s in het onderwerp ‘Financiën Koninklijk Huis’ over de begroting
van de Koning worden daarom bijgewerkt. In deze rubriek kunt u informatie vinden over diverse financiële onderwerpen die met het Koninklijk Huis te
maken hebben. Het doel is zoveel mogelijk inzicht te geven in de uitgaven voor het Koninklijk Huis. De informatie is onderverdeeld in drie
hoofdonderwerpen: de begroting van de Koning, andere begrotingen binnen de Rijksbegroting en overige financiële onderwerpen. Nederland is een
constitutionele monarchie. Dat betekent dat de positie van de Koning is vastgelegd in de Grondwet, ook wel constitutie genoemd.


v.l.n.r. de Koning, de Kroonprinses en de Koningin.

Voor 2023 worden de volgende uitgaven geraamd:

De Grondwet bepaalt in artikel 40 dat de Koning een uitkering van de Staat ontvangt. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH)
werkt deze bepaling in de Grondwet verder uit. De wet regelt de uitkering voor de Koning, zijn opvolger (als deze meerderjarig is) en de Koning
die afstand heeft gedaan van het Koningschap. Ook hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars) krijgen een uitkering.
Op dit moment ontvangen dus Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima en Prinses Beatrix een grondwettelijke uitkering.
Vanaf 7 december 2021 ontvangt ook de Prinses van Oranje een grondwettelijke uitkering.

De uitkering die zij krijgen bestaat uit een inkomensdeel (A-component) en een component voor personele en materiële uitgaven (B-component).

De Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie de A-component terug zal storten, waarna het zal worden toegevoegd aan de
algemene middelen. Met andere woorden: het gaat terug naar de staatskas. De B-component (de onkostenvergoeding) zal zij tevens terugstorten,
zolang zij geen hoge kosten zal maken in haar functie van beoogd troonopvolger.

De WFSKH bepaalt ook dat de personele en materiële kosten van het koningschap door het Rijk worden betaald. Dat zijn bijvoorbeeld kosten voor het
personeel en het wagenpark van de Dienst van het Koninklijk Huis.De uitwerking van deze bepalingen in de Grondwet en de WFSKH vindt jaarlijks plaats
via de begroting van de Koning. De begroting van de Koning bevat de verwachte uitgaven voor de uitoefening van het koningschap.

Deze uitgaven zijn opgenomen in drie artikelen:

Artikel 1: Grondwettelijke uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis

In artikel 1 van de begroting van de Koning staan de uitkeringen aan de leden van het Koninklijk Huis. De Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis
(WFSKH) stelt vast dat de Koning, zijn opvolger (als deze meerderjarig is), de afgetreden Koning en hun echtgenoten (of weduwen/weduwnaars), een uitkering
ontvangen van de Staat. Ook schrijft de WFSKH voor om welke bedragen het gaat en hoe deze worden geïndexeerd, dat wil zeggen hoe deze worden aangepast
aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van lonen of prijzen. Momenteel ontvangen Koning Willem-Alexander, Koningin Máxima en Prinses Beatrix een
grondwettelijke uitkering. Vanaf 7 december 2021 ontvangt ook de Prinses van Oranje een grondwettelijke uitkering.

De uitkering die zij krijgen bestaat uit een inkomensdeel (A-component) en een component voor personele en materiële uitgaven (B-component).
De Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie de A-component terug zal storten, waarna het zal worden toegevoegd aan de
algemene middelen. Met andere woorden: het gaat terug naar de staatskas. De B-component (de onkostenvergoeding) zal zij tevens terugstorten,
zolang zij geen hoge kosten zal maken in haar functie van beoogd troonopvolger.

Andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen geen uitkering van de Staat.


De mensen die de begroting des Konings voor 2023 vaststelt.

Artikel 2: Functionele uitgaven van de Koning

Artikel 2 van de begroting van de Koning bevat de uitgaven die te maken hebben met de uitoefening van het koningschap en die gedaan worden door de
Dienst van het Koninklijk Huis (DKH). Er zijn bedragen begroot voor de personele en materiële uitgaven van de DKH en de dotaties (toevoegingen) aan de
bestemmingsreserves. Daarnaast zijn er ook bedragen begroot voor de uitgaven voor luchtvaartuigen en uitgaven voor reis- en verblijfkosten bij bezoeken
aan het Caribische deel van het Koninkrijk.

Artikel 3: Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

In artikel 3 van de begroting van de Koning staan uitgaven die te maken hebben met het uitoefenen van het Koningschap, maar die niet via de Dienst van het
Koninklijk Huis lopen. Het gaat hierbij om uitgaven door de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD), het Militaire Huis en het Kabinet van de Koning.
Deze uitgaven worden gedaan onder verantwoordelijkheid van de minister-president (RVD en Kabinet van de Koning) of minister van Defensie (Militaire Huis).
Omdat ze gedaan worden voor de uitoefening van het Koningschap worden ze doorbelast naar de begroting van de Koning.

De raming voor 2023 is als volgt:

Raming over 2023:

De Grondwettelijke, Functionele Uitgaven en Doorbelaste uitkeringen zijn als volgt samengesteld:


Gezien het feit dat de Prinses van Oranje verleden jaar Is geslaagd voor haar eind-examen, heeft zij ervoor gekozen een tussenjaar te nemen,
alvorens te gaan studeren. Daarom heeft de Ministerpresident haar gefeliciteerd en succes gewenst met haar keuzes.

Toespraak Koning over de begroting 2023.

Koninklijke Hoogheid,

Den Haag, 11 juni 2021,

Van harte gefeliciteerd met het slagen voor uw eindexamen! In uw brief van heden schrijft u het inkomen tot aan het einde van uw studie terug te zullen
storten en tevens de onkosten vergoeding terug te storten zolang u in uw functie als Prinses van Oranje geen hoge kosten maakt.
Ik heb begrip en waardering voor uw persoonlijke overwegingen.
Ik wens u een mooi tussenjaar toe en alle wijsheid bij het kiezen van een toekomstige studie.,
aldus Mark Rutte.